Eh­ren­poort in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː·ɾənˌpɔu̯ɾt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Eh·ren·poort
Plural: Eh­ren­poor­ten f de Eh­ren­poort
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Ehr + Poort