Schüt­ten­fest in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃʏtn̩ˌfɛst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schüt·ten·fest
Plural: Schüt­ten­fes­ten n dat Schüt­ten­fest

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schütt + Fest