Kun­zert in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkʊnˌt͡sɛ͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kun·zert
n dat Kun­zert
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: kun-