Lees­book in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈlɛːˑzˌbɔu̯k/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Lees·book
Plural: Lees­bö­ker n dat Lees­book
Plural: Lees­bo­ken n dat Lees­book
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: lesen + Book