Reeg in het Nedersaksisch

Plural: Re­gen f de Reeg
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Saken in regelte Affolg
Nederlands:
=
rij
Engels:
=
row
Duits:
=
Reihe
Examples:
[1] De Soldaten hebbt sik all in een Reeg opstellt.
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Nederlands:
=
rij
Engels:
Duits:
Examples:
[1] Elk Stroof von dat Gedicht hett veer Regen.
[3]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Ordnung
Duits:
Examples:
[1] Is hier allens bi de Reeg?