Mid­dag­slaap in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɪdˌdaç·slɔːp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mid·dag·slaap
m de Mid­dag­slaap
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Na’t Eten hool ik geern Middagslaap.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Middag + Slaap