Wim­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɪm·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Wim·per
Plural: Wim­pern f de Wim­per
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: