siet­warts in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈziːˑtˌva͡ɐds/
bijwoord
Afbreking: siet·warts
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
De Dwarslöper löppt sietwarts.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Siet + -warts