Tog­va­gel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɔçˌfɔː·ɡəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tog·va·gel
Plural: Tog­va­gels m de Tog­va­gel West-Grupp, Nordniedersächsisch
Plural: Tog­vö­gel m de Tog­va­gel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Tog + Vagel