Ut­knie­per in het Nedersaksisch

Uitspraak: /uːtˈkniː·pɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ut·knie·per
Plural: Ut­knie­pers m de Ut­knie­per
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: utkniepen + -er