Vad­der­bro­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfa·dɐˌbɾɔu̯·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Vad·der·bro·der
Plural: Vad­der­brö­der m de Vad­der­bro­der
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
oom
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Vadder + Broder