Mo­der­bro­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈmɔu̯·dɐˌbɾɔu̯·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Mo·der·bro·der
Plural: Mo­der­brö­der m de Mo­der­bro­der
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
oom
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Moder + Broder