Warm­nis in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈva͡ɐm·nɪs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Warm·nis
n dat Warm­nis
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:
Examples:
Synonyms:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: warm + -nis