Achtuntwin­tigst in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈaxt·ʊnˌtvɪn·tɪçst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Acht·un·twin·tigst
Plural: Achtuntwin­ti­gs­te m de Achtuntwin­tigst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
de 28. August, Fierdag in Grönnen
Nederlands:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: acht + un + twintig