twin­tig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtvɪn·tɪç/ 🔊︎
telwoord
Afbreking: twin·tig
[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
20
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
De Boom is twintig Meter hoog.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: -tig + -tig