an­ner­half in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·nɐ·half/
telwoord
Afbreking: an·ner·half
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
1 ½
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Seh to! Ik tööv al annerhalf Stünnen op di!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: anner + half