E­ver­ta­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛː·vɐ·taʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: E·ver·tasch
Plural: E­ver­ta­schen f de E­ver­ta­sch
[1]
geavanceerde woordenschat
naam van en biologische species
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples: