Ge­schurr in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌʃʊ͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·schurr
Niet gebruikt het pluralis n dat Ge­schurr
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + schurrn