Hack­sehn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhakˌzɛːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hack·sehn
Plural: Hack­seh­nen f de Hack­sehn
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hack + Sehn