Hals­gatt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhalsˌɡat/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hals·gatt
Plural: Hals­gat­ten n dat Hals­gatt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hals + Gatt