Helm­holt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɛlmˌhɔlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Helm·holt
Plural: Helm­höl­ter n dat Helm­holt
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Helm + Holt