Kleen­geld in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈklɛːnˌɡɛlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kleen·geld
Niet gebruikt het pluralis n dat Kleen­geld
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: kleen + Geld