Strand­goot in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɾantˌɡɔu̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Strand·goot
n dat Strand­goot
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Strand + Goot