Keen­stub­ben in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɛːnˌstʊbm̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Keen·stub·ben
Plural: Keen­stub­bens m de Keen­stub­ben
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Keen + Stubben