Stop­pel­katt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɔ·pəlˌkat/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stop·pel·katt
Plural: Stop­pel­kat­ten f de Stop­pel­katt
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples:
Uns een Katt is en Stoppelkatt un de annere en Maikatt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Stoppel + Katt