Striek­brett in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɾiːkˌbɾɛt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Striek·brett
Plural: Striek­bre­der n dat Striek­brett Westfälisch, Nordniedersächsisch, Ostfälisch, Märkisch
Plural: Striek­breed n dat Striek­brett West-Grupp, Ostfälisch, Märkisch
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
[2]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: strieken + Brett