wran­te­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɾan·tə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: wran·te·rig
wranteriger wranterigst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: wrantern + -ig