Free­markt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɾɛɪ̯ˌma͡ɐkt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Free·markt
Plural: Free­märkt m de Free­markt
Plural: Free­markten m de Free­markt
[1]
perifere woordenschat
Nederlands:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: free + Markt