free in het Nedersaksisch

fre’er freest
[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
unafhängig, nich inschränkt
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
off
Duits:
Voorbeelden:
Vondaag heff ik free.
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Is dat Bad free?