Astwark in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈastˌva͡ɐk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ast·wark
n dat Astwark
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Ast + Wark