jie­pe­rig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈjiː·pə·ɾɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: jie·pe·rig
jieperiger jieperigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: jiepern + -ig