Op­sme­rels in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔpˈsmɛɪ̯·ɾəls/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Op·sme·rels
Niet gebruikt het pluralis n dat Op­sme­rels
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: opsmeren + -els