Uut­län­ner in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈuːtˌlɛ·nɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Uut·län·ner
Plural: Uut­län­ners m de Uut­län­ner
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Utland + -er