Siel­tog in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈziːlˌtɔç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Siel·tog
Plural: Siel­töög m de Siel­tog
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Siel + Tog