Baad­stuuv in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔːtˌstuːˑf/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Baad·stuuv
Plural: Baad­stu­ven f de Baad­stuuv
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Bad

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: baden + Stuuv