Ach­ter­koorn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈax·tɐˌkɔu̯ɾn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ach·ter·koorn
Plural: Ach­ter­köörn n dat Ach­ter­koorn
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: achter + Koorn