Ge­winn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌvɪn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·winn
n dat Ge­winn
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Rillen op en Schruuv
Nederlands:
Engels:
of e.g. a screw
Duits:
Examples:
Dat Gewinn an de Schruuv is twei.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + winnen