prop­pen­dig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɾɔ·pən·dɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: prop·pen·dig
geen trappen van vergelijking
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Proppen + -ig