Schipp­fohrt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɪpˌfɔː͡ɐt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schipp·fohrt
Niet gebruikt het pluralis f de Schipp­fohrt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schipp + Fohrt