grum­me­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɾʊ·mə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: grum·me·lig
grummeliger grummeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Wat is Korl denn al wedder so grummelig?
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: grummeln + -ig