Gur­kenslaat in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡʊ͡ɐkn̩ˌslɔːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gur·ken·slaat
Plural: Gur­kenslaat m de Gur­kenslaat
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Asio otus, CC BY-SA 3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Gurk + Slaat