Staats­hööft in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɔːt͡sˌhœɪ̯ft/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Staats·hööft
Plural: Staats­hööft n dat Staats­hööft Ostfälisch
Plural: Staats­hööf­den n dat Staats­hööft
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Staat + Hööft