Schipp­beek in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɪpˌbɛːˑk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schipp·beek
Niet gebruikt het pluralis m de Schipp­beek
[1]
perifere woordenschat
is een eigennaam
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Schipp + Beek