Pan­zer­krü­zer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpan·t͡sɐˌkɾyː·t͡sɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pan·zer·krü·zer
Plural: Pan­zer­krü­zers m de Pan­zer­krü­zer
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Panzer + Krüzer