Krü­zer in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈkɾyː·t͡sɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Krü·zer
Plural: Krü­zers m de Krü­zer
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Krüüz + -er