Kar­ken­raat in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈka͡ɐkn̩ˌɾɔːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Kar·ken·raat
Plural: Kar­ken­rääd m de Kar­ken­raat
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Kark + Raat