Fre­dens­piep in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɾɛɪ̯·dənsˌpiːˑp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fre·dens·piep
Plural: Fre­dens­pie­pen f de Fre­dens­piep
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Freden + Piep