Sa­ge­ree in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈzɔː·ɡə·ɾɛɪ̯/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Sa·ge·ree
Plural: Sa­ge­re­en f de Sa­ge­ree
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: sagen + -er + -ee