Hoot­ma­ker in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhɔu̯tˌmɔː·kɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Hoot·ma·ker
Plural: Hoot­ma­kers m de Hoot­ma­ker
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Hoot + Maker