We­gen­leed in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛːɡn̩ˌlɛɪ̯t/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: We·gen·leed
Plural: We­gen­le­der n dat We­gen­leed
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Weeg + Leed